handen

Tips werkhoudingsproblemen

Praktische aanpak in het onderwijs

Basisprincipes: structuur en geduld

Normen en afspraken moeten voor het kind belangrijk zijn, wil het goed aan het werk kunnen gaan.
Voor elk kind is het belangrijk dat er duidelijkheid is over de opdracht, de manier van uitvoeren, de probleemoplossing. Maar ook over de manier waarop het met anderen om moet gaan.

Voor de begeleiding van kinderen met werkhoudingsproblemen kan gebruik gemaakt worden van de methode van Meichenbaum (‘de beertjesmethode’). Deze methode helpt de begeleider en het kind stap voor stap om het denkproces te ontwikkelen.
Het kind leert om bewust handelingen uit te voeren.

Een aantal principes staan bij de methode centraal:

  • Verbaliseren: Om het denkproces te kunnen sturen heb je taal nodig. De verschillende processen en fasen moeten daarom duidelijk verwoord worden. Ook moet het kind leren om de stappen die hij neemt te verwoorden.
  • Visualiseren: Plaatjes kunnen de denkprocessen ondersteunen. Bij de beertjesmethiode worden daarvoor vier beertjes gebruikt. Dromende kinderen kunnen bij de les gehouden worden door middel van plaatjes. Verder kunnen processen ook ondersteund worden door bijvoorbeeld schema’s of symbolen.
  • Model staan: De begeleider moet het kind voordoen hoe iets moet. Dit gaat schematisch als volgt:

1. de begeleider verwoord de denkstappen hardop en het kind volgt.
2. de begeleider verwoord de denkstappen hardop en het kind voert de opdracht uit.
3. het kind verwoordt hardop en voert zelf de opdracht uit.
4. het kind begeleidt zichzelf fluisterend en voert de opdracht uit.
5. het kind begeleidt zichzelf innerlijk en voert de opdracht uit.

Op deze manier worden de stappen bij het kind ingeslepen. Ook kan het model staan voor de hele klas nuttig zijn.

Elk kind met werkhoudingsproblemen heeft het nodig dat opdrachten regelmatig herhaald worden. Het kind moet de tijd krijgen om te wennen aan nieuwe regels en verwachtingen.
Ook zal het het geleerde niet zo makkelijk ook in een andere situatie toepassen. Het is daarom belangrijk dat de begeleider hierin geduld kan opbrengen.

Voorbereidingsfase + Fase 1; Wat moet ik doen?

In deze fase hoort of leest het kind de opdracht. Dit is de belangrijkste fase, omdat alle details van de opdracht belangrijk zijn voor een goede oplossing. Bij de geringste onnauwkeurigheid gaat het al mis. Ga bij deze fase na of het kind de opdracht goed begrepen heeft en je hebt al veel gewonnen.

In deze fase wordt er bij het kind gewerkt aan de algemene kijk- en luisterhouding, de nauwkeurigheid, stopgedrag (kan het kind stoppen als het iets van de opdracht niet begrijpt) en papegaaien (kan het kind de opdracht letterlijk herhalen, heeft het de opdracht begrepen).
Ten slotte wordt de opdracht geanalyseerd.

In eerste instantie wordt geoefend met niet-schoolse opdrachten. Daarna wordt de overstap gemaakt naar wel-schoolse opdrachten. Dit, zodat het kind dit ook in andere situaties kan toepassen.

Fase 2; Hoe ga ik dat doen?

In deze fase leert het kind om een oplossingsmethode te bedenken, voordat hij aan de slag gaat met de opdracht.

De begeleider laat het kind hardop een oplossing bedenken, de begeleider heeft op die manier zicht op de manier van denken van het kind en kan het bijsturen als dat nodig is. Wanneer een oplossing niet werkt, moet het kind in staat zijn om een andere oplossing voor het probleem te bedenken.
Het kind leert om systematisch en geordend te werken.

Het kind leert om leerstof die het al eerder heeft geleerd ook bij andere opdrachten of in andere situaties toe te passen. Te denken valt aan spellingsregels of rekenprincipes.
Het zijn vaste werkplannen die weer opgeroepen moeten worden.

Fase 3; Ik doe mijn werk

Het kind heeft een werkplan gemaakt in fase 2, nu gaat het in fase 3 daarmee aan de slag. Het kind leert om dit plan stap voor stap uit te voeren. Zelfstandig de opdracht uitvoeren is hier het doel. De begeleider kan in deze fase een stapje terug doen, omdat hij al weet dat het kind weet wat het moet doen en ook hoe.

Er zijn nog wel enkele aandachtspunten waarin de begeleider nog wat zal moeten begeleiden: het strikt volgen van het plan; aandacht leren vasthouden; motivatie voor de opdracht leren bewaren; soms is mondeling en visualisering nog nodig.

Fase 4; ik kijk mijn werk na, wat vind ik ervan?

Over het algemeen laat het kind zijn werk nakijken door de leerkracht op school. Zelfevaluatie wordt overgeslagen. In deze fase leert het kind eerst zelf zijn werk na te kijken. Het kind kijkt aan de hand van zijn werkplan zijn oplossing na.
Als deze fase eenmaal bij het kind is ingeslepen, zal hij ook tijdens het maken van zijn werk zichzelf controleren.

Tips voor ouders voor het omgaan met een kind met werkhoudingsproblemen

  • Breng thuis structuur aan in je dag.
  • Stel grenzen aan het gedrag van je kind en geef duidelijk aan wat je voor gedrag van je kind verwacht.
  • Maak je kind bewust van negatief gedrag.
  • Zorg voor een plek waar je kind rustig zijn huiswerk kan maken zonder afgeleid te worden.
  • Gebruik geen beloningssystemen om je kind aan zijn huiswerk te krijgen, daarmee schiet je je doel voorbij. Dan werkt het alleen voor de beloning.
  • Geef complimentjes aan je kind wanneer het goed gaat.
  • Zorg ervoor dat wanneer je kind ergens mee zit hij naar je toe kan komen.

Meer over:
Werkhoudingsproblemen: Algemeen
Kenmerken van werkhoudingsproblemen
Oorzaken van werkhoudingsproblemen
Signaleren en analyseren werkhouding(problemen)
Praktische aanpak werkhoudingsproblemen (voor school, ouders en kind)

Schrijf als eerste een reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

Nieuwsbrief