handen

Diagnostiek zwakbegaafdheid

Vaststellen van zwakbegaafdheid

Het is erg belangrijk dat zwakbegaafdheid op tijd wordt ontdekt.
De diagnose kan er voor zorgen dat het kind op het juiste niveau wordt aangesproken en dat er geen dingen van hem of haar worden verwacht die niet realistisch zijn.

Zwakbegaafdheid wordt vastgesteld aan de hand van het IQ (intelligentiequotiënt). IQ wordt bepaald met een intelligentietest.

Vaststellen van zwakbegaafdheid bij jonge kinderen

Bij jonge kinderen is het IQ nog erg lastig vast te stellen, zeker als kinderen nog niet kunnen schrijven en lezen. Er wordt op jonge leeftijd dan ook gekeken naar het verstandelijke functioneren op basis van testmateriaal dat speciaal is ontwikkeld voor het jonge kind.
Tijdens de peuter- en kleuterperiode valt bij zwakbegaafdheid op dat het kind achterblijft in de motorische ontwikkeling en de spraak/taalontwikkeling.

Vaak is de inschatting van het IQ op jonge leeftijd hoger, dan het IQ wat uiteindelijk op latere leeftijd uit de intelligentie test komt.

WISC-III NL – Meest gebruikte intellingentietest

In Nederland is de WISC-III NL (Wechsler, D, 2005) de meest gebruikte intelligentietest voor kinderen. Het is een brede intelligentietest, die uit 13 subtesten bestaat.

De helft van deze subtesten doet een beroep op de taalvaardigheid (verbale deel), terwijl de andere helft een beroep doet op het handelend bezig zijn (performale deel). Verder wordt er onderscheid gemaakt tussen verbale vaardigheid, ruimtelijk denken en verwerkingssnelheid.
De test is bedoeld om het IQ vast te stellen bij kinderen van 6 tot en met 17 jaar.

Beschrijving van de subtesten van de WISC-III

Subtest
Beschrijving
1. Onvolledige tekeningen
De subtest Onvolledige Tekeningen bestaat uit 30 opgaven die oplopend zijn in moeilijkheidsgraad. Bij elke opgave wordt er een plaatje getoond, maar bij elk plaatje ontbreekt er iets. Het kind moet het ontbrekende kenmerk kunnen benoemen of aanwijzen.
2. Informatie
De subtest Informatie bestaat uit 31 opgaven waarbij vragen, die steeds moeilijker worden, mondeling en zonder tijdslimiet moeten worden beantwoord.
3. Substitutie
Bij de subtest Substitutie gaat het er om dat het kind symbolen natekent die gekoppeld zijn aan geometrische symbolen (6-7 jaar), of aan getallen (vanaf 8 jaar). Het is de bedoeling om binnen 2 minuten zoveel mogelijk symbolen na te tekenen.
4. Overeenkomsten
De subtest Overeenkomsten bestaat uit 21 opgaven waarbij telkens de overeenkomst tussen twee begrippen moet worden aangegeven.
5. Plaatjes ordenen
Deze subtest bestaat uit 14 opgaven, waarin een aantal plaatjes binnen 45 of 60 seconden in een goede volgorde moet worden gelegd.
6. Rekenen
De subtest Rekenen bestaat uit 26 rekenopgaven, die steeds moeilijker worden. De rekenopgaven moeten, afhankelijk van de moeilijkheidsgraad, worden beantwoord binnen 30, 45 of 75 seconden.
7. Blokpatronen
Deze subtest bestaat uit 12 vragen in oplopende moeilijkheidsgraad. Een aangeboden patroon moet worden nagemaakt binnen 30 tot 120 seconden.
8. Woordkennis
De subtest Woordkennis bevat 35 opgaven, oplopend in moeilijkheidsgraad. In elke opgave wordt er een woord gegeven. Hierin moet het kind de betekenis van het woord aangeven.
9. Figuur leggen
Bij deze test moeten puzzelstukjes tot een figuur worden samengevoegd binnen 120 tot 180 seconden.
10. Begrijpen
Er worden vragen mondeling gesteld. Uit het antwoord van het kind blijkt of hij of zij alledaagse problemen weet op te lossen en of het kind begrip heeft van sociale regels en begrippen.
11. Symbolen vergelijken
De subtest symbolen vergelijken bestaat uit 2 keer 45 opgaven waarbij het kind binnen 120 seconden moet nagaan of een bepaald symbool voorkomt in een groep van 4 aangeboden symbolen (6-7 jaar) of in een groep van 5 symbolen (vanaf 8 jaar).
12. Cijferreeksen
De subtest Cijferreeksen bestaat uit 15 opgaven. Iedere opgave is een reeks van cijfers die het kind moet nazeggen. In de eerste 8 opgaven moet het kind de cijferreeks in de opgenoemde volgorde nazeggen. In de daarop volgende 7 opgaven moet het kind de cijferreeksen in omgekeerde volgorde nazeggen
13. Doolhoven
Deze subtest heeft 10 items, oplopend in moeilijkheidsgraad. Het kind moet hierbij met een potlood de weg van de ingang naar de uitgang van het doolhof aangeven binnen 30 tot 150 seconden.

Meer over:
– Zwakbegaafdheid: Algemeen
– Kenmerken en oorzaak van zwakbegaafdheid
– Diagnostiek zwakbegaafdheid
– Tips voor het omgaan met zwakbegaafdheid (voor ouders, school en kinderen)

Schrijf als eerste een reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Nieuwsbrief